Pilsemannetjes

Het is begin juli 1980. De foto is genomen in het Massif de Saint Barthélemy in de Franse Pyreneeën, het promotiegebied van Cees Passchier, die omhoog wijst naar de ontsluitingen waar we nog heen moeten. Cees was in de eindfase van zijn promotieonderzoek naar ‘pseudotachylieten’, gesteenten die bij zeer snelle schuifdeformatie door de wrijvingswarmte gedeeltelijk opsmelten en de smelt in het nevengesteente injecteren.

Links op de foto staat zijn promotor, professor C.G. Egeler, hoogleraar Algemene Geologie van de Universiteit van Amsterdam. Egeler was een dag eerder vanuit Amsterdam ingevlogen en had zijn intrek genomen in een hotel in Tarascon. Zelf was ik samen met mijn zwager en ‘meeloper’ Joost, die rechts op de foto staat, per auto gearriveerd vanuit Zuid-Spanje en we hadden ons geïnstalleerd op de plaatselijke camping. We hadden vier weken veldwerk achter de rug in de Betische Cordilleren. Mijn eerste veldwerk als universitair docent bij de vakgroep Structurele Geologie van de UvA. Voor Joost en mij was de koelte van de Pyreneeën een verademing na de verzengende hitte van de Sierra de los Filabres en de Sierra de Almagro. De vrouw op de foto is een kennis van Egeler, die hij toevallig in het hotel in Tarascon was tegengekomen en die zich had aangemeld ons op deze veldtocht te vergezellen. Haar echtgenoot heeft de foto genomen.

Egeler kijkt enigszins bedenkelijk naar de nog af te leggen hoogte. Hij was nog niet ‘ingelopen’. Toch was hij voor geen kleintje vervaard. Hij was voorzitter geweest van de Koninklijke Nederlandse Alpenvereniging en in zijn jongere jaren had hij met geoloog Tom de Booij en de Franse berggids Lionel Terray verschillende eerste beklimmingen in de Peruviaanse Andes op zijn naam gebracht. In het boek ‘Naar onbestegen Andes-toppen’ [1] doen zij er verslag van. Ook de Himalaya van Nepal was geen onbekend terrein voor hem. Hij was leider van de Nederlandse Himalaya-expeditie in 1962, een gecombineerde alpinistische en wetenschappelijke expeditie waarbij de alpinisten op de Nilgiri het nationale hoogterecord braken en de geologen met 1800 handstukken naar huis keerden [2]. Bestudering van de handstukken, die tijdens deze expeditie verzameld waren, is nog jaren onderdeel geweest van het studieprogramma aan het Geologisch Instituut.

De pseudotachylieten die Cees Passchier ons wilde laten zien waren helemaal boven in het St. Barthélemy massief ontsloten. Op onze tocht naar de ontsluitingen moesten we ongeveer 1200 meter hoogteverschil bedwingen. Toen we 500 meter geklommen hadden kreeg Egeler het wat moeilijk. Hij ging zitten en we pauzeerden even. Diep onder ons konden we de weg zien waar een auto reed in de richting van Tarascon. ‘Weet je wat die man gaat doen, Biermann?’ vroeg Egeler mij. ‘Nee professor’ antwoordde ik beleefd, zoals een nieuwe jonge medewerker dat tegen zijn baas hoort te doen. ‘Die man’, zei Egeler, ‘die gaat in dat dorp daar van die kleine pilsemannetjes verschalken’. Daarna stond hij op, kromde de rug onder de rugzak en ging in een rustig steady-state tempo verder omhoog. Zoals hij eerder de Andes- en Himalayareuzen bedwong. Gewoon doorlopen en niet opgeven. Voor hem was de top van de berg het doel dat niet te ontwijken viel.

Enkele uren later en 700 meter hoger kwamen we aan in het adembenemende theater van het hoge Barthélemy massief. Cees Passchier sloeg enkele handstukken van de sterk gebande pseudotachylieten af en toonde die vol trots aan zijn promotor. Egeler nam met belangstelling kennis van de handstukken en zei toen: ‘God, dat ziet er net zo uit als de stenen die je me in Amsterdam liet zien’. Daarna werd de terugtocht weer aanvaard.

Ongeveer een maand na deze tocht brak Egeler een ruggenwervel bij het golfen. Er werd botkanker geconstateerd. Hij moet al ernstig ziek geweest zijn toen hij de 1200 meter naar de kammen van het Barthélemy massief bedwong. Na een langdurig verblijf in het ziekenhuis krabbelde hij nog even op. In september 1981 had hij zich zover teruggevochten dat hij nog een paar dagen kon meegaan met de Alpenexcursie, die hij zoveel jaren had geleid. Op het plateau van de Gornergrat boven Zermatt gaf hij een uitgebreid exposé over de Penninische en Austroalpiene dekbladen. Hij wees alle 4500-metertoppen aan – de Monte Rosa, Castor en Pollux, de Breithorn, de Matterhorn en de Dent Blanche – en vertelde welke gesteenten er ontsloten waren. Hij wist het als geen ander; hij had ze allemaal beklommen.

Op 4 juni 1983 werd professor C.G. Egeler naar zijn laatste rustplaats gebracht.

Kees Biermann


[1] Egeler, C.G. & T. de Booij – Naar onbestegen Andes-toppen: met de Andes-Expeditie 1952 naar de Cordillera Blanca, Peru Amsterdam, Scheltens & Giltay, [1953].
[2] Bron: Het dagboek van de Himalayas expeditie 22 augustus- 27 december 1962 geschreven door Tom de Booy voor het weekblad de Spiegel. Het is hier te vinden.